Bryan Ferry, het vleesgeworden (en onlangs 65 jaar geworden) stijlicoon, heeft zijn 13e soloplaat afgeleverd. Olympia heet ze en in zijn gewone vorm zjin er 10 tracks, in zijn Deluxe-editie krijg je twee extra tracks en een DVD over The Making Of. De vooruitgeschoven single en plaatopener "You can dance" was een schot in de roos en liet ons het allerbeste verwachten, maar het volledige album haalt niet hetzelfde niveau. "Alphaville" (net als de single geschreven met Eurythmic Dave Stewart) is nog wel een lekker uptempo nummer, maar dan vervalt Ferry drie nummers lang in zijn grootste sterkte, die tegelijk ook zijn grootste zwakte kan zijn: grooves. Ferry weet als geen ander in sferen te handelen, maar als die sferen onderin te weinig song bevatten, te weinig basis hebben, dan blijven ze steken in, euh, mooie sferen, maar ook niet meer dan dat.
Veel wordt goedgemaakt door de massa's Gastmuzikanten Met Grote Namen. Gitarist Nile Rodgers en bassist Marcus Miller zitten gewoon vast in de basisbegeleidingsband. Er zijn ouwe getrouwen, zoals Oliver Thompson, Neil Hubbard, Chris Spedding (drie bescheiden gitaarvirtuozen) en Colin Good (even bescheiden en even virtuoos, maar dan op piano), met Dave Stewart en David Gilmour heeft Ferry al vaker samengewerkt, en de oude Roxy-companen Phil Manzanera en Andy Mackay zijn er ook weer bij. Alsof dat nog niet genoeg is, lees even door deze Who Is Who: Flea (Red Hot Chili Peppers - bas), Mani (Primal Scream - bas), Groove Armada (extra productie), Jonny Greenwood (Radiohead - gitaar), Steve Nieve (Elvis Costello - piano) en, long time no see , Brian Eno! Die komt alleen langs voor een paar synthesizerriedeltjes, maar op zich mag het bijzonder genoemd worden dat beide heren na al die tijd de strijdbijl begraven hebben.
Het jammere van de zaak is, dat het nauwelijks opvalt dat deze mensen meespelen. Toen David Gilmour destijds soleerde in "Is your love strong enough" (1985), dan hoorde je ook meteen zijn typische klank, maar nu is alles ondergeschikt aan klankschilder Ferry. Wanneer je in de credits leest "Flea - bass solo" moet je geen uit de boxen springende slap bass verwachten, nee, integendeel, je moet zelfs hard luisteren om het eruit te halen.
Dat heeft allemaal te maken met de manier van werken van Ferry. Hij werkt jarenlang aan zijn platen, hij voegt geluidjes toe, zoekt naar sfeertjes, blijft vijlen en polijsten en vergeet uiteindelijk zelfs wie er in welk nummer precies wat heeft gespeeld. Iemand moet de boekhouding wel hebben bijgehouden, want alle namen staan netjes vermeld en zo vernemen we dat ook twee van zijn vier zonen meedoen: Tara Ferry op drums en Merlin Ferry op gitaar.
Kortom, bakken sfeer, minutieus geproduced (door Ferry zelf en jarenlange partner-in-crime Rhett Davies), een schare aan klassemuzikanten, maar te weinig sterke songs. De sterkste zijn de covers, met prijzen voor "No face, no name, no number" van Traffic en vooral "Song to the siren" van Tim Buckley. Ferry is nooit vies geweest van een goed gekozen cover, in tegendeel zelfs, hij heeft hele platen met alléén maar geleende nummers, maar zijn eigen nummers doorstonden moeiteloos de test. Dat is nu helaas maar in de helft van de gevallen zo. We hadden nochtans de indruk dat Ferry aan een nieuwe jeugd was begonnen, maar stijlvol rocken zoals hij bij Roxy ooit deed, dat is er al lang niet meer bij. Stijlvolle layout gelukkig nog altijd, met bakken deze keer. En met Kate Moss als cover girl. Vergeet al die drugsverhalen met Pete Doherty: Moss is de max. (jsp)
TRACKLISTING
1. You can dance
2. Alphaville
3. Heartache by numbers
4. Me oh my
5. Shameless
6. Song to the siren
7. No face, no name, no number
8. BF Bass (Ode to Olympia)
9. Reason or rhyme
10. Tender is the night
Extra tracks
Whatever gets you thru the night
One night
DVD
The making of Olympia


Geef je mening
Reacties