|
DE KLACHT VAN DEN OUDE : WILLEM ELSSCHOT
Ik word aan 't oud zijn niet gewend.
De lichtelaaie die 'k heb gekend
zit nog te diep in mijne knoken
en blijft mij dag en nacht bestoken.
Mij beetren heb ik steeds gewild,
en menig, menig uur verspild
aan op te zien naar ginder boven,
aan bidden leeren en gelooven.
Helaas, ik schaam mij en beken
dat ik wel diep verdorven ben.
Want God en Ziel en andere dingen
waarvoor de menschen psalmen zingen,
Geweten, Vaderland in nood,
de Sterrenhemel en de Dood,
het wil, het wil tot mij niet spreken,
wat ik ook tracht het ijs te breken.
Maar waar ik wèl toe ben bereid,
dat is voor elke jonge meid
zooals er honderdduizend loopen,
de kleeren van mijn lijf verkoopen |
|
[p. 37] |
|
en heel mijn huis en heel mijn vrouw.
Ik zou het doen, en geen berouw
zou in mijn oogen staan te lezen,
en 't zou nochtans een misdaad wezen.
Wanneer ik langs de huizen trek
loert men mij na, als ware ik gek,
alsof mijn plannen en mijn zonden
op mijnen rug te lezen stonden.
Ik ben een schurk, ik ben een hond,
geen rustplaats waard in heil'gen grond,
en 'k wil een hoog rantsoen betalen
voor elken bundel zonnestralen:
Maar laat mij doen met eigen vuur
wat ik verkies, zoolang ik duur.
En plaag ons niet: mij arme stakker,
en Satanlief, mijn laatste makker. |
U leest, wij draaien: Willem Elsschot / Luc Devos
donderdag 27 januari 2011


Geef je mening
Reacties