Claude Blondeel leest: 'Het paradijs van Marcel Proust hervonden' van Henry Raczymow (de Bezige Bij)
"A la Receherche du Temps Perdu" is één van de meest beklijvende romans die ik ken. Marcel Proust gaat op zoek naar herinneringen, mijmeringen en dromen. Tegelijkertijd is hij een onverbiddelijke observator van het mondaine leven.
Proust heeft "lovers" en "haters". In zijn essay "Proust" schrijft Samuel Beckett "Een man met een goed geheugen herinnert zich niets omdat hij niets vergeet". En Louis- Ferdinand Céline: "Proust explique beaucoup pour mon goût: 300 pages pour faire comprendre que Tutur encule Tatave, c'est trop".
Maar eens je de openingszin "Longtemps je me suis couché de bonne heure" gesavoureerd hebt, laat Proust je nooit meer los. Want "bonne heure" rijmt met "bonheur". Vraag het maar aan Guy Cassiers, Eric de Kuyper en Chantal Akerman.
De Franse auteur Henri Raczymow ging op zoek naar de plekken in Parijs die Proust in zijn romans beschrijft. Het is een mooi boek met foto's tekeningen, foto's en quotes. Een boek als reisgids voor Proust, Parijs of beiden.
Want Marcel Proust is onlosmakelijk met Parijs verbonden. De prachtige wijken tussen Monceau, de Place de la Concorde en het Bois de Boulogne. Daar woont de aristocratie, de "nietsdoende klasse", de intellectuele bourgeoisie. Met andere woorden, de mensen die tijd hebben om Proust te lezen.
Op nummer 45 in de Rue d'Auteuil woont de letterkundige Jean Lorrain, met wie Proust in 1897 duelleert. Lorrain had hem in een recensie "precieus en pretentieus" genoemd. Het duel vindt plaats in het bos van Meudon, maar beide tegenstanders missen elkaar opzettelijk. Literaire kritiek was hier slechts een voorwendsel ("pré-texte", zou Roland Barthes zeggen) want de ware reden voor het dispuut was dat beide heren verliefd waren op dezelfde slagersjongen.
De Opera Garnier is de "place to be" voor de jonge snobs, niet zozeer voor de muziek, maar voor de mooie jurken van de cocottes. Om te zien en gezien te worden.
Een foto van een Tennisbaan in Neuilly. Niet dat we Proust ervan mogen verdenken aan sport te doen- "No sport!"- . Zijn tennisraket gebruikt hij als gitaar om aan een jong meisje een serenade te brengen.
Claude Blondeel leest 'Reis naar het verleden' van Stefan Zweig (Atlas)
Na negen jaar ontmoet Ludwig zijn vroegere geliefde weer. Hij was ooit de privésecretaris van haar echtgenoot en vanaf de eerste dag dat zij elkaar zagen werden zij hopeloos verliefd op elkaar.
Als zij elkaar na de Tweede Wereldoorlog terugzien, is hij getrouwd en zij weduwe. De oude passie laait opnieuw op, maar heeft ook de liefde het verstrijken van de jaren overleefd?
Stefan Zweig analyseert haarscherp de gevoelens en is een meester in het beschrijven van wezens "die de onwetende knechten van hun hartstocht zijn."
Bij Zweig wordt alles eenvoudig gezegd, zonder enige ostentatieve overdrijving of sentimentele ontroering. Zweig schrijft met een scalpel.
Deze novelle heeft als achtergrond het opkomende fascisme:"alles werd vertrapt door de stalen pas van de massa, militair aangegord, duizendstemmig, duizendsoortig, in kreet en blik maar één ding uitend: haat, haat en nog eens haat. De trommels sloegen zijn innerlijke stilte kapot."
"Reis naar het verleden" is de laatste novelle die Stefan Zweig schreef voor zijn zelfmoord. Als overtuigd pacifist wou hij geen tweede wereldoorlog meemaken.
Een prachtige novelle die je meteen wil teruglezen, wat ook in het Duits kan, want uitgeverij heeft er een fraaie tweetalige uitgave van gemaakt.
Claude Blondeel leest: 'De Betovering van Lijstjes' van Umberto Eco (Uitgeverij Bert Bakker)
Van in onze kindertijd maken wij lijstjes. Het eerste lijstje dat wij maken is onze brief naar Sinterklaas. Later maken wij lijstjes van de cursussen die we (nog) moeten blokken, boodschappenlijstjes, lijstjes van onze liefjes in de ijdele hoop Don Giovanni's "mill' e tre te evenaren. Het laatste lijstje dat wij maken is ons testament.
Na zijn "Geschiedenis van de Schoonheid" en de "Geschiedenis van de Lelijkheid", maakte Umberto Eco zijn lijstenboek. Het is een prachtig geïllustreerd boek met opsommingen, lijsten, catalogi.
In de literatuur vinden we de opsomming van kwaadaardige brouwsels van de heksen in "Macbeth", de enorme verzameling onbeduidende voorwerpen in de lade van de keukenkast van Leopold Bloom in Joyces "Ulysses", de duizelingwekkende verzameling muziekinstrumenten die Thomas Mann in zijn "Doctor faustus" opnoemt.
En dan zijn er de relikwieën: in de Sint - Vituskathedraal van Praag vind je de schedel van de Heilige Wenceslas, een deel van het kruis, het kleed dat op de tafel van het Laatste Avondmaal lag, een tand van de Heilige Maria en de staf van Mozes.
Volgens Eco is de Franse schrijver François Rabelais de lijstenmaker "par excellence". En Eco citeert met volle teugen: de lijsten met bijnamen voor het mannelijk geslacht en de eindeloze hoeveelheid manieren om je gat af te vegen.
Ook de muziek komt er aan te pas, want Umberto Eco ziet de "Bolero" van Ravel als een repetitieve opsomming die eindeloos lang zou kunnen doorgaan.
Als er één meester van het "vrolijke weten" is, dan is het wel Umberto Eco.
Claude Blondeel leest: 'Dichterbij' van Hugo Claus (De Bezige Bij)
Hij heeft mij geleerd elegant te zijn met een dikke buik en te liegen als "Hamlet": "We are arrant knaves all". ("Wij zijn allemaal doortrapte leugenaars").
Nu, op dit nachtelijk uur ben ik weer met hem bezig.
Ik doe mijn geprefereerde Ray Ban aan. De "Wayferer", dezelfde die Bob Dylan draagt en slenter in mijn bibliotheek en streel er de ruggen der boeken.
Elk Claus - exemplaar is gelieerd aan een pregnant moment in mijn leven.
"De Verwondering", bijvoorbeeld . Ik was zeventien toen ik het kocht. In Amsterdam, in de Athenaeum boekhandel. Want toen woonde ik nog in Halle, en daar waren er geen boekenwinkels.
Het liefst van al heb ik Hugo Claus wanneer hij de ambachtsman is, wanneer hij "Thyestes" van Seneca bewerkt en regisseert. Ja mijnheer, ik heb dat gezien, in het Paleis voor Schone Kunsten, met mijn geadoreerde mentor Alex Vanroyen "op de top van de citadel".
Ik houd van de bescheidenheid van Hugo Claus, zoals alleen een seigneur dat heeft, wanneer hij zijn diensten aanbiedt aan Rilke, Apollinaire en Queneau. Zoals in "Dichterbij", een bundel met vertalingen van dichters die hem inspireerden. Van velen heb ik nog nooit gehoord. Maar ik heb een onvoorwaardelijk vertrouwen in Hugo, mijn zwarte keizer.
Allez Blondeel,nog één gedichtje, een roos pilletje en een laatste "French Goose", en dan "dodo".
Claude Blondeel leest : 'De Gedaanteverwisseling en andere verhalen' van Franz Kafka
(Vertaald door Willem van Toorn)
Ik ben met vakantie in New York. Ik lees altijd en overal, maar niet op de metro in New York. Er is zoveel te zien en ...te lezen.
Tussen de talloze reclameboodschappen herken ik die ene zin: "When Gregor Samsa awake one morning from uneasy dreams, he found himself transformed in his bed into a gigantic insect".
Terug in Brussel vind ik bij de post een nieuwe vertaling van de verhalen van Kafka. (Merci, Athenaeum).
Ik kan het niet laten, nog voor de koffers uitgepakt zijn, ben ik weer vertrokken: "Toen Gregor Samsa op een ochtend uit onrustige dromen ontwaakte, ontdekte hij dat hij in zijn bed in een reusachtig ondier was veranderd".
Ik herlees het verhaal voor de derde, vierde keer, en ik zwicht opnieuw voor de deerniswekkende humor en de ijzeren logica.
Waar New York allemaal niet goed voor is.
Claude Blondeel leest 'Portret 1989 – 2009' van Stephan Vanfleteren (Lannoo)
Er zijn foto’s die je leest. En er zijn fotografen die auteurs zijn: Brassaï, Bresson, Avedon.
Stephan Vanfleteren is er één van dat kaliber. Elke foto van Stephan is een moment van stilte en mijmering over schoonheid en vergankelijkheid.
“Portret” kan gelezen worden als het ultieme “liber amicorum”: Hugo Claus met de ogen open, en dan toe, voor altijd. Johan Anthierens, getooid met vilten hoed voor een laatste afspraak met Haar. De gearriveerde Panamerenko, met zijn blonde bruid. Els Pyno die haar glooiingen afmeet aan die van een Brabants boerenpaard. Jan Fabre, de kolonel die klaar staat voor een nieuw gevecht op het veld van schoonheid. Jan Decorte als lord vagebond en Arno “grandeur nature”. Allemaal schone mensen, bekeken en doorgrond door het alziende oog van Vanfleteren.
’T Is een schoon boek , Stephan, een beetje zwaar als “livre de chevet”, maar ik lees er elke dag in.
P.S. En “tant pis” voor Johnny Hallyday.
Claude Blondeel leest: "Brieven aan mijn Moeder" van Paul Léautaud.
ls Paul Léautaud (1872 - 1956) drie dagen oud is, laat zijn moeder hem bij zijn vader achter om een reizend theatergezelschap te volgen.
Als hij negen jaar is, zoekt hij haar op in haar hotelkamer, waar hij haar half naakt in bed vindt. Zij is heel lief, vraagt hem om bij haar te komen en overlaadt hem met liefkozingen en kusjes alsof zij het gemis van negen jaar in één keer wil goedmaken.
Zij maakt een verpletterende indruk op de jonge Paul, die met zijn ontwakende seksualiteit plotseling ziet hoe mooi en verleidelijk zijn moeder is.
Tot aan haar dood zullen zij elkaar brieven schrijven, liefdesbrieven wel te verstaan.