Freek Braeckman leest 'Everyman' van Philip Roth
Ik moet toegeven dat ik me wel eens durf af te vragen wat voor film er tijdens mijn laatste ademtocht te zien zal zijn: De film van mijn leven. Door de band genomen kijk ik nogal naar die film uit. Niet naar het moment, dat spreekt, wel naar de inhoud. Maar sinds ik 'Everyman' van Philip Roth uit heb, ben ik daar niet meer zo zeker van. Het hoofdpersonage (everyman: iedereen, u en ik dus) is net gestorven. In hoofdstuk 1 bestellen familie en vrienden, of wat daar van rest, hem meteen ter aarde. Zo krijg je als lezer meteen zicht op de mensen met wie je je leven hebt geleefd. Wat volgt is een versnipperd levensverhaal van een succesvol man met veel spijt. Spijt over verkeerde keuzes vooral. Spijt omdat het allemaal niet nog eens over kan. En ja, de truc van Roth werkt, op vele momenten kan je je voorstellen dat dit op een dag jouw verhaal zal zijn. Al wens ik iedereen, mezelf incluis, een opbeurender film, eens de dag daar is.
Freek Braeckman leest: 'Supertex' van Leon De Winter
Een bevriend hoofdredacteur duwde hem me onverwacht, zelfs wat haastig, in handen. "Hij lag wellustig op jou te wachten," zei hij. "Je moet ‘m lezen." Een grauwe vierdehandse pocket kreeg ik. 'Supertex', door Leon de Winter. Ik moest al diep nadenken om me nog iets van Leon de Winter te herinneren. Een paar wazige herinneringen van mijn eerste kandidatuur Germaanse, zoals dat toen nog heette. Van 'Supertex' had ik helemaal nog nooit gehoord. Supertex is de beschrijving van een dag in het leven van een man die het gemaakt heeft. Van de dag in het leven van die man, waarop zijn hele wereld lijkt in te storten, om precies te zijn. Of nog juister: van de dag waarop hij dat beseft. En zoals zo vaak bij mannen die het gemaakt hebben, is alles toe te schrijven aan zijn vader. Met wat goede wil kan je Kafka horen fluisteren. Erg mooi, vaak geestig en meer dan eens confronterend. Een aanrader.
Freek Braeckman leest: 'Maus' van Art Spiegelman
Net een parel uit. 't Is alweer een poos geleden dat een boek me nog zo bij de keel heeft gegrepen. Wat zeg ik? Een stripverhaal. Een graphic novel eigenlijk (grafische novelle klinkt zo slap). Het was radio 1-collega Jan Gerits die me dwong om het te lezen. "Als er op deze hele boekenbeurs één boek de moeite loont, is het dit," zei hij. En hij drukte me (The Complete) Maus in handen, van Art Spiegelman. Als een trein las het, weet ik nu, 48 uur nadat ik het opensloeg op de eerste bladzijde. De metafoor is juist gekozen. Maus is het getekende relaas van een ‘overlever' van de Holocaust, van Auschwitz. Maar ook dat van de afzichtelijke littekens op de ziel van wie de gruwel wist te overleven. Joden zijn muizen, nazi's katten, Polen varkens en Amerikanen honden. Nooit heb ik die beschimmelde bladzijde in het Grote Geschiedenisboek scherper getekend geweten. Letterlijk en figuurlijk.
Freek Braeckman leest: 'De man die van getallen hield' van Paul Hoffman
Andermans leven kan me meestal maar even boeien. Daarom hou ik door de band niet zo van biografieën. Ze duren vaak zo lang, vandaar. Ik probeer ze wel, van Martens tot Mao, van Pius tot Plato. Maar de meeste verdrinken in nietszeggende vergaderingsverslagen en mijmeringen. En toch is er eentje dat ik u wil aanbevelen. Die van Paul Erdös, de Man die van Getallen Hield. Alleen getallen. Erdös was een Hongaarse wiskundige die een beetje doet denken aan de pianist David Helfgott zoals die werd voorgesteld in de bekroonde film Shine. Een geniale gek, die je als lezer hoe langer hoe meer verbaast. Een sociopaat die de laatste jaren van zijn leven nergens meer woonde, maar zwierf van congres naar congres. Onwaarschijnlijk boeiend. En voor amateurwiskundigen zoals mezelf wordt er betoverend gepuzzeld met priemgetallen, integralen en het oneindige. Voor wie eens wat anders lust.
Freek Braeckman leest 'Een half leven' van V.S. Naipaul
Als lezer ben ik van het vooringenomen type. Onbevangen zal je mij zelden een boek tegemoet zien treden. Vaker koester ik spontaan verwachtingen, of erger nog, vooroordelen. Over de Klassiekers bijvoorbeeld durf ik wel eens bij voorbaat te denken dat ze overroepen zijn. Of het mooiste verwijt in de literatuurrecensie: te academisch. Ga met zo'n idee-fixe maar eens zitten voor James Joyce. Vorige week stootte ik tegen V.S.Naipaul aan. Een half leven. Vooruit, dacht ik, een mens kan niet genoeg Nobelprijswinnaars verzetten.
Met plichtsbesef en lange tanden ben ik aan de pocket begonnen. Half weg kan ik niet genoeg gezegd hebben hoe onverwacht veel heerlijk ongemakkelijke humor er in dit bijna cynische portret zit. Uiterst pijnlijke personages (een man die als protestactie trouwt met de lelijkste vrouw die hij kan vinden!) maken me nieuwsgierig hoeveel gène er nog in de tweede helft van het boek kan. Het meest voorkomende substantief tot hier toe is ‘schaamte'. Love it
Freek Braeckman leest 'Stad Der Blinden' van José Saramago
Gisteren had ik het weer. Tijdens het uitladen van een verhuisdoos met boeken sloeg de geur mij in de neus. Of liever de stank, van één bepaald boek. Een kenmerk van grote literatuur, vind ik dat. Als lezer hou ik van schrijvers die mijn zintuigen weten te misleiden. Die me onbewust aan mijn enkels laten krabben, omdat muggen een personage uit zijn slaap houden. Die mij met de ogen doen knipperen in zandstormen, of laten zweten in het oerwoud. Eén boek in een hele doos, tien jaar geleden gelezen. Maar de stank walmt nog altijd even onhoudbaar uit de kaft. En, eerlijk waar, dat is een compliment. De Stad Der Blinden, van Nobelprijswinnaar José Saramago. Een griezelig visioen over een maatschappij in ontbinding. Ga het vandaag nog zoeken in de boekhandel, vertrouw op uw neus.
Freek Braeckman leest ‘Het Diner' van Herman Koch
Heeft u nog wat vakantiedagen over na de zomer? Twee dagen volstaan. Neem ze op, en gebruik ze om Herman Koch te lezen: ‘Het Diner'. Over een etentje en een moord. Een klassieke whodunit zeg maar, ware het niet dat de verteller uit alle macht probeert om juist níet te weten te komen wie het gedaan heeft. Agatha Christie, noch Stieg Larssen zouden er iets van begrijpen. Als lezer begrijp je het wel, gaandeweg, met mondjesmaat. Het heeft te maken met burn-out, broederjaloezie, vernielde carrières. Herkenbaar en echt allemaal. En daarin schuilt de kracht van deze spannend geschreven restaurantrecensie. De protagonisten hebben zoveel diepte dat je ze zou kunnen kennen. Of je dat ook zou willen na afloop van Het Diner, is een andere vraag.