Louis Van Dievel leest 'De vijgenboom' van Ramiro Pinilla (Cossee)
Drie maanden lang heb ik op een klein en ver eiland in de grote oceaan een luizenleventje geleid. Wandelen, zwemmen onkruid bestrijden en lezen, veel meer heb ik niet gedaan. Gelezen vooral, en altijd drie boeken tegelijk: eentje voor aan de zee, eentje voor op het terras en eentje voor 's avonds laat in bed.Dan gaat het wel vooruit. Ik heb zelfs een boek van Felix Timmermans gelezen, "De familie Hernat" uit 1941, maar dat ga ik u niet aanraden, niet omdat het zo schabouwelijk slecht zou zijn, maar omdat het zelfs in antiquariaten moeilijk te vinden is.
Spanje ligt nog altijd in de knoop met zijn verleden, met de burgeroorlog vooral. Ook nu, meer dan 70 jaar na die bloedige bladzijde uit de geschiedenis, hebben duizenden doden nog geen treffelijke begrafenis gehad. Niet alleen zij die sneuvelden in de strijd, al dan niet reguliere soldaten dus, maar vooral de burgers die na de nederlaag van de Republikeinen door commando's van de extreemrechtse falangisten werden vermoord en in naamloze (massa)graven werden gegooid. Overal in Spanje worden nu stoffelijke resten opgegraven om ze een behoorlijk graf te geven, een met een naam erboven, zodat de nabestaanden kunnen rouwen zoals het hoort. De politieke erfgenamen van de falangisten schreeuwen moord en brand. Want ieder naamloos graf dat wordt gevonden, brengt hun wandaden opnieuw in herinnering. Daarover gaat ‘De vijgenboom' van Ramiro Pinilla. Een falangist met wroeging bewaakt een vijgenboom die door het zoontje boven op het anonieme graf van zijn vader en broer is gepland. De boom groeit en de plek groeit uit tot een pelgrimsoord, want de berouwvolle falangist wijkt in de jaren die volgen geen meter van het graf, wordt een soort heremiet aan wie bijzondere gaven worden toegeschreven. Maar voor zijn vroegere kompanen, die inmiddels gerespecteerde burgers met verantwoordelijkheden zijn geworden, is de vijgenboombewaker een storende herinnering, een lastige getuige. Ze doen er alles aan om hem van bij zijn boom weg te lokken. Dat lukt niet maar het loopt ook niet goed af. Wat had u gedacht?
Louis Van Dievel leest 'Tijden van verandering' van Anton Dontsjev (Prometheus)
Vijfhonderd jaar lang - van 1396 tot en met 1787 - leefde Bulgarije onder Turkse heerschappij (of onder het Turkse juk, zoals de Bulgaren zelf zeggen). Over een goed jaar uit die periode gaat ‘Tijden van verandering' van Anton Dontsjev. Het boek dateert al uit 1964, maar werd pas vorig jaar - met financiële steun van de Bulgaarse ambassade - in het Nederlands uitgegeven. ‘Tijden van verandering' pretendeert een historische roman te zijn, en vertelt de gedwongen islamisering van het Rodopengebergte. Bergbewoners die niet uit vrije wil tot de islam overgingen, werden gespietst, onthoofd, levend gevild. Critici - onder wie Balkankenner Mon Detrez - zeggen dat de roman een loopje neemt met de waarheid. Dat er allicht wreedheden zijn begaan, maar niet systematisch, dat de christelijke cultuur de Turkse bezetting probleemloos heeft overleefd en dat Bulgarije onder het communisme evengoed de Turkse minderheid vervolgde en deporteerde. Een fel nationalistisch en anti-islamboek, jazeker, maar wel meeslepend geschreven.
Louis Van Dievel leest '2666' van Roberto Bolano (Meulenhoff)
Ik had nog nooit van de Chileense schrijver Roberto Bolano (met tilde op de letter n) gehoord. Toen ik links en rechts zijn turf van 1100 pagina's, ‘2666,' hoorde aanprijzen, hield ik de boot nog wat af. Ik had me al op Carlos Ruiz Zafon miskeken. Maar de Sint legde het boek eind 2009 in mijn schoen, en dus begon ik eraan. Ik las een bladzijde of vijftig, en het was zeker niet slecht, maar om een of andere reden bleef het boek liggen. Tot ik het naar mijn eiland verscheepte. Waar ik tijd had en rust in mijn hoofd. Een volle maand heb ik erover gedaan om ‘2666' uit te lezen, en elke dag van die maand heb ik er een onuitsprekelijk genoegen aan beleefd. De schrijver stierf voor hij het boek kon voltooien. Eigenlijk had Bolano verschillende boeken in gedachten gehad, maar zijn erfgenamen beslisten om de delen die wel af waren, samen uit te geven. Er is iets voor te zeggen. Want hoewel er tientallen, wat zeg ik, op zijn minst honderd personages in opdraven, zijn er elementen die altijd terugkomen: de Mexicaanse stad San Teresa en een vrouwenmoordenaar. Voor het overige waaiert de roman vrolijk uit in tijd en ruimte, worden er nieuwe draden gesponnen, nieuwe verhalen en levens aangeboord. Het boek begint bij de speurtocht naar de mysterieuze schrijver Benno von Archimboldi en eindigt ook met het leven van die man. Maar de titel ‘2666' verwijst naar het jaar waarin alle draden zouden moeten samenkomen. Bolano had dus nog werk. Maar ook onvoltooid is zijn roman een meesterwerk. Hebt u al eens een zinsconstructie gelezen die 6 bladzijden beslaat, grammaticaal helemaal klopt en bovendien helemaal niet stoort. Bolano kan het en doet het. Net zoals hij met warmte en genegenheid al zijn personages koestert.
Louis Van Dievel leest ‘Leven en lot' van Vasili Grossman (De Balans)
‘Leven en lot' van Vasili Grossman was nog zo'n boek dat mij door goedmenende medemensen werd aangeraden. Ook daarin ben ik begonnen, in de vroege zomer van 2009 al, waarna ik het terzijde legde.
Vasili Grossman was tijdens de tweede wereldoorlog oorlogsverslaggever. Hij versloeg onder meer de slag om SQtalingrad voor de krant De Rode Ster en was erbij toen het Rode leger het kamp van Treblinka bevrijdde. Maar na de oorlog werd hij een criticus van het Stalinisme. Hij viel in ongenade. Het manuscript van zijn opus magnum ‘Leven en lot' werd door de KGB in beslag genomen. Grossman stierf in 1964, in de gedachte dat ‘Leven en lot' nooit zou worden uitgegeven. Pas in 1989 kwam het boek weer aan de oppervlakte en het duurde tot 2008 voor het in het Nederlands werd vertaald. In zijn boek doet Grossman verslag van de slag om Stalingrad, hét keerpunt in de oorlogskansen. Maar tegelijk vertelt hij de levens van een Duitse SS'er, van krijgsgevangenen in Duitse kampen, van een wetenschapper, van een politiek commissaris, en noem maar op. Het lijkt een willekeurige greep, maar dat is het niet. Want alle personages hebben te maken gehad met de grote zuiveringen van 1939, toen Stalin honderdduizenden gewone Sovjetburgers, schrijvers, militairen, hoge piefen van het regime liet opsluiten, fusilleren, deporteren omdat ze ‘verraders' en ‘spionnen' waren. ‘Leven en lot' is een somber boek. Het klaagt het blinde geloof in een politiek systeem aan, ook al blijkt dat systeem een barbaars regime. Het is ook erg goed geschreven. Maar het bevat zoveel verwijzingen naar de Sovjetgeschiedenis, het veronderstelt zoveel historische kennis - van de oorlogsverrichtingen, van de Russische literatuur, van de geschiedenis van het communisme -, het is zo gedetailleerd dat het op de duur ongenietbaar wordt. Ik heb het uitgelezen maar ik heb een diepe zucht van opluchting geslaakt toen de laatste bladzijde eindelijk was omgeslagen.
Louis Van Dievel leest 'Invisible' van Paul Auster (Faber & Faber)
Ik ben een grote fan van Paul Auster. En ik ben nog niet vaak bedrogen uitgekomen. Snob als ik ben, lees ik zijn romans altijd in het Engels. Auster schrijft in een glasheldere taal, je moet het Engels niet als moedertaal hebben om daarvan te kunnen genieten. Paul Auster is ook de meester van de compositie. Zijn romans zijn altijd verrassend gestructureerd, altijd is er een raadsel ingebouwd. In ‘Invisible' krijgt een schrijver een brief van een oude studiegenoot, Adam Walker. Walker is zwaar ziek en wil zijn leven nog op papier zetten voor de kanker hem meeneemt. De schrijver - een alter ego van Auster? - moedigt hem daarin aan. Het eerste gedeelte gaat over Walkers ontmoeting, op de universiteit van Columbia, met de Fransman Rudolf Born en zijn verleidelijke vriendin Margot. Walker is erbij wanneer Born een jonge zwarte overvaller met messteken om het leven brengt. En kijkt ernaar, als verlamd. Pas later gaat hij naar de politie, maar dan is Born het land al uit.Wanneer hij het tweede deel van Walkers verhaal in zijn brievenbus krijgt, moet de schrijver even slikken: het gaat over de incestueuze verhouding tussen Adam Walker en zijn zuster. Maar dan sterft Walker, voor hij deel 3 heeft kunnen voltooien. Walker heeft wel notities nagelaten, die de schrijver naar best vermogen in proza giet. Het gaat over het verblijf van Walker in Parijs, waar hij op zoek is gegaan naar Born. Walker wil Born dwingen de moord op de zwarte jongen te bekennen. Maar dat lukt niet. Adams wordt uitgewezen, want Born heeft een lange arm. Uiteindelijk blijft de schrijver met een hoop vraagtekens achter: is de moord echt gebeurd, heeft Walker echt met zijn zuster geslapen, is hij echt uitgewezen? Auster laat ons grotendeels in het ongewisse. Dat is frustrerend voor de lezer. Al had hij kunnen weten dat Auster hem of haar op het verkeerde been zou zetten.
‘
Louis Van Dievel leest The rain before it falls' van Jonathan Coe (Penguin)
Een ontroerend, wat zeg ik, een hartverscheurend familieverhaal, verteld door de oude vrouw Rosamond en bestemd voor haar blinde achternicht Imogen, aan de hand van 20 foto's. Het verhaal van drie generaties vrouwen, een verhaal dat start in Engeland tijdens de wereldoorlog en eindigt in de nieuwe eeuw.
Louis Van Dievel leest ‘Arkansas' van John Brandon, (McSweeneys)
Een grappige maar ook ongemakkelijke roman over een stel drughandelaars; alle eindjes van het verhaal komen samen in Arkansas, of wat had u gedacht?
Louis Van Dievel leest 'Bericht aan allen' van Michaël Kumpfmüller
Als u eens een boek wil lezen dat beklijft, dat somber stemt ook, dat aanzet tot nadenken, rondkijken, een mening formuleren en dan herzien, dat leidt tot twijfel en ergernis, moet u zeker het nieuwe boek van de Duitse auteur Michaël Kumpfmüller lezen: "Bericht aan allen". Ik was redelijk "van mijn melk" , zoals we dat zo mooi in het Vlaams zeggen. De dochter van een politicus komt om in een vliegtuigcrash. Eerst wordt aan een aanslag gedacht, maar het blijkt om slecht onderhoud te gaan. Selden - want zo heet die politicus - is in de USA voor een of ander officieel bezoek, want hij is minister van Binnenlandse Zaken van een niet nader genoemd land. Frankrijk, denk je soms, dan Duitsland, of Zweden of Nederland. Niet België, want daar vliegt hij soms naar toe om vreemd te gaan. Maar eigenlijk geeft het niet dat het land waar hij minister is, in het midden wordt gelaten. Hij is "de toppoliticus".
Hoe leeft zo'n man, hoe wordt hij geleefd, in welke mate laat hij zich leven? Dat zijn de vragen die Kumpfmüller zich stelt. Hoe reageert hij op crisissen, zoals een opstand in de voorsteden (Frankrijk?)? Hoe schat hij zo'n opstand in? Wat weet hij ervan, wat begrijpt hij ervan, wat vertelt zijn staf, zijn crisiscomité hem? Hoe gaat dat, leven met een agenda die door je naaste medewerkers wordt bepaald? Heb je nog een privéleven? Wat doet de minister als hij verliefd wordt op een jonge journaliste? Hoe gaat zijn wettige echtgenote daarmee om (cliché!)? En als de rellen in de voorsteden niet willen bedaren, als ook de studenten op straat komen, als in de fabrieken het werk wordt neergelegd, hoe houdt de politicus zich dan staande? En in hoeverre kan hij zijn eerste minister vertrouwen, en de paladijnen van zijn partij die vele vleugels telt (christendemocratie?) ? En wat bezielt die allochtone jongeren, die autonomen (Duitsland!) , die jongelui die nergens meer in geloven en zeker niet in minister Selden, wat bezielt de graffitispuiters, de jonge vrouw die zichzelf met brandstof overgiet en de aansteker aanklikt? En hoe kijkt die jonge journaliste naar Selden, die op haar een bizarre aantrekkingskracht uitoefent? En wat gebeurt er wanneer er op Selden een aanslag wordt gepleegd?
Dat alles vraagt Michael Kumpfmüller zich af in dat merkwaardige boek "Bericht aan allen", dat in Duitsland al bekroond werd voor het in de winkel lag. Een krachttoer is het, zoals hij voortdurend, zonder de lezer te waarschuwen, zonder stijlwisselingen, zonder leestekens haast, van de ene huid in de andere kruipt: in die van Senden, uiteraard, in die van zijn kabinetschef, de jonge journaliste, de graffitispuiter, het warrige, mollige meisje dat de aanslag pleegt. Hé, moet je dat nu al verklappen? Zult u zich afvragen. De aanslag zit eraan te komen, de schrijver voert de spanning voortdurend op, het kan bijna niet anders.
Het enige, maar dat is dan ook echt het enige wat in deze tijdsroman tegenvalt is het einde. Maar dat ga ik u dan weer niet verklappen.
"Bericht aan allen" is geweldig goed vertaald, de vertaalster weze geprezen voor deze glansprestatie. Ik heb dit boek van Kumpfmüller gekocht (op de boekenbeurs) in de gedachte dat hij opnieuw over de DDR zou schrijven, zoals in de tragikomedie "De lotgevallen van een beddenverkoper", over een ritselaar, een bedrieger, die zoveel last met schuldeisers en gerecht krijgt in de oude Bondsrepubliek, dat hij asiel vraagt in de DDR. Als verhaal kon dat tellen. Maar "Bericht aan allen", dat is dus heel andere kost, vraagt moeite en concentratie, zet je voortdurend op het verkeerde been, maar is wat mij betreft een meesterwerk. De Zeitgeist verklaren, dat kon alleen een Duitser doen.
Louis Van Dievel leest 'Terug naar Walden' van Walter Van Den Broeck.
'Terug naar Walden' , van Walter Van Den Broeck is mij zeer bevallen, niet zozeer omwille van het thema of de opbouw van het verhaal maar omwille van de sfeer. In 'Terug naar Walden' besluit een Amerikaanse mulitmiljardair wraak te nemen voor het onrecht dat ooit zijn familie is aangedaan. Hij geeft de door elkaar geschudde financiële wereld een fatale linkse hoek en vlucht naar België, godbetert, want daar liggen zijn roots. Via Brussel en Antwerpen gaat het naar de Kempen, waar zijn voorvaderen ooit keuterboer waren. Intussen hebben we kennis gemaakt met de gecrashte beurs, met de wereldvreemdheid van anoniem reizende rijke stinkers, met de security in hotels, met premiejagers en bodyguards, met Steve Fossett, met de Antwerpse hoeren. En met Frederik Van Eeden, die ooit Walden stichtte, een utopische gemeenschap. Maar voor mij begint de roman van Walter Van Den Broeck maar echt te leven wanneer alle personages samen komen in een hotel in de Kempen, waar net een internationaal vermaarde vliegmeeting heeft plaats gevonden. Want dan is de schrijver op zijn best: als verteller, als chroniqueur van de wereld van kleine mensen met zorgen. Zoals de apotheker, die sukkelt met zijn neonlicht; een geweldige running gag. En passant ontrafelt Walter Van Den Broeck de beroemde "parachutemoord", een zaak die dit jaar voor assisen komt (een jonge vrouw zou een liefdesrivale hebben willen uitschakelen door haar parachute te saboteren). Dat het einde niet echt geloofwaardig is, doet voor mij niet terzake. Wijlen Michael Dibdin ( de schepper van de geweldige misdaadreeks met inspecteur AurelioZen) wist in een van zijn laatste boeken, ‘Cosi fan tutti', ook niet beter dan iedereen samen te brengen, zoals in de gelijknamige operette (Of was het een opera? Vergeef het mij, ik ben met rock'n roll opgegroeid).
Louis Van Dievel leest 'Via Cappello 23' van Christiaan Weyts.
Het boek is mij tegengevallen. Ik heb het uitgelezen, dat is al iets. Want zijn debuut - het alomgeprezen Art.285b - heb ik na goed 100 pagina's opzij gelegd, iets wat mij zelden overkomt. Ik vind Christiaan Weyts als auteur (niet als mens, misschien is hij wel een zeer innemend persoon) pedant en zwaar overroepen. Het verhaal dat zich in Venetië en Leiden afspeelt, rammelt langs alle kanten en wordt bijeengehouden met goedkope bedenkingen over massatoerisme, pornografie en "de media". Heel even dacht ik dat Weyts het misschien ironisch bedoelt, dat het boek een persiflage zou zijn, maar wie naar de website der primitieve mensen, geenstijl.nl , verwijst als ‘steengeil', die kan voor mij nog maar weinig goeds doen.
Louis Van Dievel leest 'Knielen op een bed violen' van Jan Siebelink.
Met veel vertraging en met veel moeite heb ik 'Knielen op een bed violen' van Jan Siebelink gelezen. Ik schrijf ‘met veel moeite', niet omdat het boek mij tegenviel. O nee. Maar de wereld der protestantse godsdienstwaanzinnigen, de sektes met zwarte kousen, met dominees en zelfverklaarde schriftgeleerden die elkaar met citaten uit het oude testament en andere ‘heilige boeken' de hersenen inslaan, was mij tot nog toe vreemd. Jan Siebelink weet die donkere, versmachtende wereld zo goed, zo haarscherp tot leven te brengen, dat ik er zowaar onwel van werd, en de roman telkens een week of langer moest laten liggen. En ik dacht: wat zijn wij Vlamingen toch gelukkig met Pastoor Munte van Ernest Claes. Lang geleden was het dat ik nog zo'n donker en bezwarend en bezwerend boek had gelezen. En pas onlangs las ik in Vrij Nederland dat het in feite om een waar gebeurd verhaal gaat: dat van de ouders van Jan Siebelink zelf. Poor bugger.
Louis Van Dievel leest 'Zoete mond' van Thomas Rosenboom.
Eergisteren zondag sloeg ik met een zucht van opluchting de laatste bladzijde om van "Zoete Mond", de nieuwe en langverwachte roman van veelvuldig prijswinnaar Thomas Rosenboom (ik voeg dat er meteen aan toe, dat van die vele prijzen, dan weet u dat u aan mijn oordeel niet veel belang moet hechten). Een excentrieke landjonker (niet eens echt van adel), Jan De Loper en een rouwende dierenarts (zijn vrouw is gestorven in een auto-ongeluk) strijden om de gunst van het dorp Angelen, aan de Rijn. Jan De Loper was ooit een beroemdheid, maar heeft zijn ‘grappige' act een keer te veel opgevoerd; de dierenarts, zwelgend in eenzaamheid en zelfbeklag, wordt willens nillens de held van de kinderen van Angelen. En daartussenin loopt Laura Banda, een mooie vrouw, op wie de dierenarts smoorverliefd wordt. En dan is er nog een witte walvis, waarmee de roman begint en die pas tegen het eind opnieuw zijn opwachting maakt. Thomas Rosenboom is een geweldig schrijver, technisch bedoel ik dat, die met het Nederlands speelt en jongleert als een circusartiest. Ik kan daar alleen maar bewondering voor opbrengen. Maar het verhaal van "Zoete Mond" is te mager en dus enkele honderden bladzijden te lang. Schoonschrijverij - bellettrie - is aan mij niet besteed. Maar ik vermoed - wat zeg ik , ik ben er bijna zeker van - dat vele duizenden mensen Rosenboom precies daarom lezen.
Louis Van Dievel leest: ‘De Bloemen' van Koen Peeters (Meulenhoff/Manteau)
Familiegeschiedenissen zitten in de lift. Joseph Pearce begon er tien jaar geleden al aan, met de wat stroef geschreven zoektocht naar zijn Joodse voorouders. In 2008 schreef ikzelf de (grotendeels verzonnen en danig opgesmukte) geschiedenis van de Van Dievels. Marcel Van Tilt en Geert Van Istendael stelden hun relatie met hun vader te boek.
Maar de mooiste familieroman - eerlijk is eerlijk - is die van Koen Peeters. Al maakt hij het zich ook wel gemakkelijk, want hij beperkt zijn zoektocht tot het leven van zijn grootvader Louis en van zijn vader René of Renaat.
Grootvader Louis was getrouwd met Florence, die een winkeltje openhield in het Kempendorp Gierle, niet ver van Turnhout. Hun grote kinderen zaten op een in de streek vermaard ‘pensionaat' in Hoogstraten. Om de zoveel weken schrijft moeder Florence naar haar zonen. Haar brieven bevatten niet alleen tal van raadgevingen voor een goede gezondheid en een hoogstaand zedig leven, maar ook de kleine geschiedenis van Gierle: overlijdens, geboorten, calamiteiten, ziektes. Een schatkamer aan informatie voor haar kleinzoon Koen. Louis zelf was een dromer: hij verkoopt boter en eieren in de stad Antwerpen, maar als het even kan staat hij aan de kaaien van de Antwerpse haven en verwijlen zijn gedachten bij kranen, schepen en hangars . Hij koestert gedurfde plannen maar daar blijft het bij. Altijd keert hij 's avonds terug naar zijn dorp.
Zijn zoon René of Renaat - de vader van Koen Peeters -wordt ‘propagandist' van de machtige christelijke zuil in de Kempen en later CVP-volksvertegenwoordiger voor het arrondissement Turnhout. Hij werkt zich bijna dood en wordt op een kwade keer, na een kiesmeeting in het gehucht Zondereigen - zelfs bijna dood geslagen door de stormtroepen van de toenmalige Volksunie.
Het protret dat Koen Peeters van zijn grootvader schildert in het eerste deel, is veel rijker dan de levenbeschrijving van zijn vader. Ik ken het gevoel. Ik weet hoe moeilijk het is om - hetzij onbevangen, hetzij met kwaadheid, hetzij met onverschilligheid - te schrijven over de man die je verwekt heeft.
Koen Peeters schrijft zijn boek niet alleen. Geregeld staat zijn oom Jos bij hem op de dorpel om te informeren naar de voortgang van het boek. Ook zijn grootvader verschijnt hem. Met goede raad. En god is ook altijd aanwezig. God woog op het leven van de mensen, toen, al hadden ze geen verklaring voor de ellende (een dood kind, een oorlog) die hij zomaar toeliet. God moeide zich met alles. Koen Peeters schrijft ook over het schrijven van zijn roman. En hele korte stukjes over zijn eigen gezin.
En over bloemen. Logisch, want het boek heet ‘De Bloemen'. En laat net dat mij het minste overtuigen: het beschrijven van de bloemen die bij dagen, gelegenheden en seizoenen pasten en passen, daar in de stille Kempen. De bloemen én het derde deel van de roman, waarin de schrijver zijn eigen relatie met god uit probeert te klaren.
Voor mij is die ontmoeting met god een onnodig zwak want vermijdbaar slot voor een roman die mij voorts van bij de eerste pagina bij mijn kraag had en die mij niet meer losliet. ‘De Bloemen' is een dorpsgeschiedenis, een sociale geschiedenis van de Kempen, een familieroman, het spiegelbeeld van een vergeten en verloren tijd, een zoektocht naar wat familie bindt, een zoektocht naar de impact van god. Het is ook een prachtig geschreven en teder boek. Veel is verzonnen, veel is fantasie, geeft de schrijver toe. De dromerijen van zijn grootva, bijvoorbeeld. Maar het had allemaal waar kunnen zijn.
Een collega hier op de redactie, afkomstig van het vlakbij gelegen Kasterlee, had een theorie over het succes van familiegeschiedenissen: ‘De tijd gaat te snel, de mensen hebben behoefte aan houvast, aan tastbare want neergeschreven herinneringen.' Ik ben geneigd haar gelijk te geven.
Louis Van Dievel leest: ‘Kentucky, mijn land' van Paul Baeten Gronda
Het is link, als schrijvers over schrijvers die ze kennen gaan schrijven. Laat ik dus maar meteen klaar en duidelijk zeggen dat ik ‘Kentucky, mijn land' een heel goede roman vind, beter dan het alom geprezen debuut (Laat ons dan samen afscheid etc.) van de schrijver met de dubbele achternaam. Dat hebben nog mensen geschreven, dus origineel is dat niet. Ik vind het boek een tikkeltje dun, mag ik dat zeggen? Vroeger hadden we daar een naam voor: een novelle. Die is wat in onbruik geraakt.
Paul Baeten Gronda krijgt geen duidelijk afgelijnd einde aan zijn roman gebreid, dat ga ik toch ook zeggen. Ik ben een geweldige fan van boeken die een mooi einde hebben: eentje dat je niet van kilometers afstand ziet aankomen, eentje dat geloofwaardig is, eentje dat bij voorkeur verrassend is.
Wie zijn hoofdpersoon Karel Jemen ( overigens een geweldige vondst, die naam ) een gezicht en een karakter geeft, hem afschildert als een misantroop, een professionele eenzaat, een man die is opgebouwd uit schuine en donkere kantjes, mag hem niet stilletjes aan Alzheimer laten uitdoven. Dat vond ik zonde.
Voor het overige kon ik het appartement van Karel Jemen, na lezing van het boek, probleemloos op mijn netvlies te voorschijn toveren, kon ik mij de kapperszaak op het gelijkvloers voorstellen, zag ik zijn schoonmaakmeisje, zijn buurvrouw met hond, zijn ‘enige vriendin' zo voor mijn ogen defileren. Het is een krachttoer als een auteur zijn lezer mee kan trekken in zijn verbeelding. Ik vond het personage Karel Jemen ook bijzonder geloofwaardig; ik heb namelijk een schoonvader gehad die zijn tweelingbroer had kunnen zijn.
Nog één opmerking: Paul Baeten Gronda is een homo ironicus, een homo cynicus zelfs. Het is een (essentieel) deel van zijn kracht als schrijver. Maar bij een woordspeling als ‘een groendienstweigeraar', gaan mijn gedachten toch eerder naar Gaston Durnez of Louis Verbeeck uit. Voor de jongere lezers: googelen, die namen!
Louis van Dievel leest 'De dood van Bunny Munro' van Nick Cave.
Ik spendeer meer tijd op de trein dan mij lief is tegenwoordig. Correctie: ik verlies meer tijd op perrons, vloekend op treinen die net in de bocht verdwijnen of wachtend op treinen die niet willen opduiken. Maar toegegeven: de ergernis over de miserabele service van de NMBS wordt voor een deel, een groot deel, gecompenseerd door de vreugd die ik schep in het lezen. Daar heb ik namelijk tijd zàt voor, tegenwoordig.
Zo heb ik op een week tijd de kleine maar fijne romans van Leo Pleysier herlezen, die voor de spotprijs van vijf euro in de goede boekhandel liggen. Allen daarheen. Zo las ik de eveneens heruitgegeven (na tien jaar!) zoektocht van Joseph Pearce naar zijn joodse roots, ‘Land van Belofte'.
Zeggen dat de net opgesomde romans in het niet verzinken bij ‘De dood van Bunny Monro' van de snordragende rockzanger Nick Cave zou wat overdreven zijn. Maar als u nog een verrast en zelfs geschokt wil worden, als u nog eens een boek wil lezen dat lang blijft nazinderen, dat u een oplawaai geeft, dan moet u echt het tweede boek van de Australiër Nick Cave lezen. Ik las jàren geleden al zijn eersteling (‘And the Ass saw the Angel'), maar dat was eerder een chaos van woorden dan een roman. Nu heb ik - snob als ik ben - dit nieuwe boek in het Engels gelezen; Ik kan dus maar hopen dat de vertaling de kwaliteiten van ‘The Death of Bunny Munro' recht aandoet.
Het verhaal in een notendop: Bunny Munro is vertegenwoordiger in schoonheidsproducten. Echtelijke trouw is echt zijn sterkste kant niet, zullen we maar zeggen. Op een dag heeft zijn vrouw er genoeg van en ze verhangt zich aan het balkon van hun appartementje, in Brighton, aan de Engelse zuidkust. Laat dat nu net de plek zijn waar Nick Cave tegenwoordig woont. Bunny Munro weet eigenlijk niet wat hij met hun negenjarige zoontje Bunny junior moet aanvangen. In een opwelling besluit hij de jongen op te nemen, mee te sleuren, in zijn miserabele leven als man on the road. Het komt er op neer dat Bunny Junior in de gele Punto van zijn vader moet blijven zitten terwijl Bunny zelf bij de dames langsgaat. En niet alleen om ze schoonheidsproducten aan te smeren. Maar altijd keert op zijn netvlies het beeld van zijn dode vrouw Libby weer, hangend aan de spijlen van het balkonnetje. Hij probeert het spook te verjagen met nog méér seks, nog meer drank, nog meer coke. Tevergeefs. En intussen zit zijn zoon in de auto te wachten en leest in zijn encyclopedie. Hij heeft een onvoorwaardelijk vertrouwen in zijn vader, ook al gaat die zich met de dag krankzinniger gedragen.
Het loopt niet goed af, hoeft het gezegd?
‘De dood van Bunny Munro' is tegelijk een oergrappige en een schokkende roman, geschreven in een aaneenschakeling van scheldwoorden, macho- en schuttingtaal. Fuck moet zowat het vaakst gebruikte woord zijn. Rauw, is de term die het dichtst in de buurt komt van de stijl die Nick Cave hanteert. En wat een vaart heeft het boek!
Een onvoorwaardelijke aanrader. Maar niet voor gevoelige zielen.
Louis van Dievel leest De thuiskomst van Jossel Wassermann van Egard Hilsenrath.
Tot vorig jaar was Edgar Hilsenrath in ons taalgebied een nobele onbekende. Pas in de herfst van 2008 werden zijn eerste werken vertaald naar het Nederlands.
‘De nazi en de kapper' vertelde hoe een nazi de identiteit van een joodse kapper aanneemt en zo aan het eind van WO II aan vervolging ontkomt; meer nog, hij emigreert naar Israël. Een tragikomedie , of een bittere komedie, die niet bij iedereen in goede aarde viel. Lachen met de Holocaust, hoe kwam Hilsenrath erbij. Met ‘Nacht' viel er al helemaal niet te lachen. Daarin beschrijft Hilsenrath het dagelijkse leven in een joods ghetto, in een uithoek van Roemenië. Van solidariteit onder de bewoners is er geen sprake. Het is ieder voor zich. En ligt er iemand te sterven in de goot, dan staan er al klaar om zich van zijn schoenen meester te maken en zijn zakken leeg te maken. Wie ooit misselijk was na het lezen van ‘De Welwillenden' van Jonathan Litell, moet niet aan ‘Nacht' beginnen.
Om maar te zeggen dat Edgar Hilsenrath zijn entree niet gemist heeft, als de uitdrukking hier op haar plaats is. En nu is er dus 'De thuiskomst van Jossel Wasserman'.
Wassermann, een Jood uit Bukowina (vroeger Oostenrijks, later Roemeens gebied), maakt fortuin in Zwitserland en op zijn sterfbed vertelt hij zijn levensverhaal aan zijn advocaat en zijn notaris, die het op hun beurt moeten voortvertellen aan de verhalenverteller van de sjtetl waar hij geboren is. Het verhaal op het sterfbed is een bijzonder goedgevonden truc om het dagelijkse leven in het joodse dorp te beschrijven, van aan de eeuwwisseling 19de-20ste eeuw tot aan het uitbreken van Wereldoorlog II. Hoe de Joden altijd wel gewantrouwd en vervolgd werden, maar dat de dosis Jodenhaat verschilde naargelang van de heerser. Hoe en waarvan de Joden leefden. Edgar Hilsenrath schildert een vertederend en echt grappig portret van de sjtetl.
De rijk geworden Wassermann laat een deel van zijn fortuin na aan de manke waterdrager van het dorp, én aan de gemeenschap zelf. En hij wil dat zijn stoffelijk overschot daar begraven wordt, op het joodse kerkhof. Maar dat is onmogelijk geworden. Want de wereldoorlog is uitgebarsten en de nazi's hebben de sjtetl ontruimd en alle bewoners - jong en oud - in beestenwagons geladen. Hun lot is voorspelbaar. Maar zelfs in de beestenwagon droomt de manke waterdrager nog van het geluk dat hem door het testament van Jossel Wassermann te beurt is gevallen.
‘De thuiskomst van Jossel Wassermann' is een wervelende vertelling. Een langgerekte witz die nooit verveelt. Grunberg was het, geloof ik, die dit als boek het beste van Edgar Hilsenrath bestempelde. Wie ben ik om het met Grunberg oneens te zijn.
Louis van Dievel leest Juni van Gerbrand Bakker -Cossee
Drie jaar geleden schoot Gerbrand Bakker als een komeet door het Nederlandse literaire firmament met zijn debuut ‘Boven is het stil', wat ik oneerbiedig als een ‘boerenroman' zou durven bestempelen.
O ironie: het manuscript was door wel tien uitgeverijen geweigerd, vooraleer de kleine uitgeverij Cossee het oppikte. Het werd amper gerecenseerd. ‘Boven is het stil ‘ zit inmiddels al aan meer dan 20 drukken, er is een toneelstuk van gemaakt, er wordt een film van gedraaid. De roman werd in 2007 genomineerd voor de Libris Literatuurprijs.
In juni kwam zijn Bakkers tweede roman uit, die dan ook de titel ‘Juni' droeg.
Het verzamelde Nederlandse recensentenheir zat met geslepen messen klaar om de schrijver van wie ze het debuut over het hoofd hadden gezien een warme ontvangst te bereiden. Vrij Nederland bijvoorbeeld trok twee pagina's uit om ‘Juni' neer te sabelen. Bijltjesdag, denk ik dan luidop, want het tweede boek van Bakker is een mooi boek. Geen meesterwerk, maar wel een mooi boek in een genre waar de literaire wereld niet van houdt.
‘Boven is het stil' ging over de relatie tussen een boerenzoon en zijn vader. ‘Juni' vertelt het verhaal van een boerenfamilie die in de late lente van 1969 een dochter verliest, precies op de dag dat de ‘oude koninging' (Wilhelmina) hun dorp met een bezoek vereert. Zo begint de roman ook, met een erg geestige beschrijving van de Koninklijke visite. Maar dan, als de stoet naar het volgende dorp onderweg is, rijdt de warme bakker het meisje Hanne aan met zijn splinternieuwe Volkswagenbus.
Dertig jaar later blijkt het trauma bij de familie Kaan nog steeds niet verwerkt. Niet door haar ouders, niet door haar broers. Zo maken ze ruzie over het onderhoud van het graf. En elke keer als er woorden vallen binnen de familie, klimt de oude moeder op de hooizolder, met een pak koekjes en een fles advocaat als mondvoorraad, en trekt ze de ladder op. Beetje bij beetje wordt al wie in juni 1969 erbij was toen de koningin het dorp bezocht ten tonele gevoerd. Alles hangt aan elkaar, zo blijkt. De wonden van toen zijn nog land niet geheeld. Niet bij de ‘'Kaantjes', niet in de dorpsgemeenschap. En Gerbrand Bakker laat zijn roman eindigen met de dag na het drama, wanneer de koningin erover leest in de krant en deernis voelt.
‘Juni' is een erg Nederlands boek, beschrijft een kleine wereld die ons vreemd kan lijken, maar dat kan voor ons Vlamingen, die het platteland amper ontgroeid zijn, toch geen beletsel wezen? Laten we van de naam ‘boerenroman' een geuzennaam maken.
Louis van Dievel leest ‘Didar & Faroek' van Sana Valiulina
Het is intussen dik 2 jaar geleden dat ik tot mijn grote vreugd op de shortlist van de Libris Literatuurprijs terecht kwam. Deel van het ritueel was dat een cameraploeg van Nova je op het werk of thuis kwam vragen of je ‘verrast' was en je tegelijk de romans van de andere genomineerden overhandigde. De boeken van Lodewijk Wiener, Arnon Grunberg en Gerbrand Bakker had ik algauw gelezen. Maar ‘Didar & Faroek' van Sana Valiulina bleef onverklaarbaar liggen bij de stapel ‘nog te lezen' en kwam zelfs niet bovenaan liggen.
Wat een vergissing van mij. Want wat een goed boek is ‘Didar & Faroek'. Een epos, gebaseerd op het uiteraard waar gebeurde leven van de ouders van de schrijfster, Tataren die, na de oorlog, onder Stalin in Estland terecht gekomen waren, lees gedeporteerd. Meteen zijn een aantal thema's van deze roman aangesneden: de wereldoorlog, de nationaliteitenkwestie, de ingelijfde Baltische staten, de islam, de terreur onder Stalin, de gedwongen volksverhuizingen, het miezerige leven van de Sovjetburgers.
Zware kost? Dat lijkt alleen maar zo. In ‘Didar & Faroek' vertelt Sana Valiulina hoe die twee jonge mensen het Stalintijdperk overleven en elkaar uiteindelijk vinden, al loopt het pad van hun liefde niet bepaald over rozen.
Schrijfster Sana Valiulina studeerde Nederlands aan de universiteit van Moskou. Het is dus niet haar moedertaal. Maar ze schrijft in een meeslepende stijl en in een rijke taal, die heus niet het werk is van haar eindredacteur bij Meulenhoff. Een wonder op zich. Ik nam het boek mee op de trein, bij toeval en inderhaast; op twee dagen had ik het uit. Vergissing recht gezet, oef.