Patrick De Bruyn
heeft voor de titel van luisteraar Dago gekozen: 'Afterparty'.
Je kan het volledige verhaal hieronder
lezen.
We
bieden 'Afterparty' ook aan in pdf-vorm en
via podcast
.
Afterparty
Het was al laat. De Nacht van Radio1 klonk door de boxen en we reden naar
huis. Ik zat aan het stuur, mijn man zat naast me. Ik zag vanuit een
ooghoek dat hij naar me keek. We keerden terug van een trouwfeest, dat nog
altijd aan de gang was toen we vertrokken. Maar we hadden zoveel zin in
elkaar dat we vroeger dan voorzien afscheid hadden genomen.
Ik keek even opzij. We glimlachten.
?Je kijkt naar me?, deed ik verwijtend.
?Mm. Dat is het voordeel van passagier te zijn.?
?Je bent boos, hè, omdat ik je niet heb laten rijden.?
?Boos? Nee, hoor, nu kan ik hier al aan je frutselen.?
Mijn dreigement was zwakjes: ?Durf het maar niet.? En ik gaf hem een klets
op zijn hand toen hij die toch op mijn knie legde. Hij trok ze niet terug.
Hij boog zich naar me toe en fluisterde in mijn oor:
?Waarom gaan we niet aan de kant staan? Ik heb ontzettende zin om je te
zoenen.?
Ik zei dat hij dronken was, of gek.
?Allebei,? antwoordde hij, ?dronken van liefde en gek van jou.?
Ik zuchtte onhoorbaar. Ja, met een beloning in het vooruitzicht had hij
soms een romantische bevlieging. Heel soms.
Maar het leek me wel spannend, een beetje stiekem, in de auto, net als
vroeger.
Ik zei dat we bijna thuis waren: ?Daar wacht ons een zacht bed.?
?Toe-e-e!? zei hij, als een kind dat zou gaan zeuren. Hij wist dat ik dat
grappig vond en dat hij dan zijn zin kreeg. En het hielp natuur-lijk dat
hij ontzettend lekker kon zoenen.
Ik stuurde de auto naar de kant van de weg, op amper vijftig meter van ons
huis. Ik liet de motor draaien en de lichten aan.
Hij vroeg, met zijn lippen op die van mij:
?Is er nu iets spannender dan te weten dat die vieze Fons misschien naar
ons zit te gluren??
Ik haalde mijn schouders op, sloot mijn ogen en genoot van het moment.
Ik had geen besef van tijd meer, maar ineens ging mijn man weer rechtop in
zijn stoel zitten. Ik opende mijn ogen en het interieur van de auto
ontvlamde in een schittering van hel wit licht. Felle koplampen schenen
door de achterruit naar binnen. Ik keek achter-om en zag? blauwe
zwaailichten.
Mijn man lachte en vloekte tegelijk:
?Hoe is het verdomme toch mogelijk??
Ik gniffelde: ?Zullen we ze voor een koffie thuis vragen??
We kregen allebei de slappe lach. Ik deed mijn raampje naar bene-den en
wachtte op een politieman die vast heel streng zou kijken.
Maar plots werd de passagiersdeur opengetrokken. Een hand met een pistool
verscheen.
Een mannenstem riep: ?Eruit!?
Alle vrolijkheid was op slag verdwenen.
?Oké, oké?, zei mijn man. ?Rustig, dit is mijn vrouw, hoor. Wij wonen
daar??
Hij opende zijn veiligheidsgordel en terwijl hij uitstapte, boog ik wat
voorover naar de passagiersdeur:
?Zeg, is dat niet een beetje overdreven? Wij deden hier geen kwaad,
hè.?
Maar op dat moment kreeg ik een harde duw tegen mijn hoofd. Ik keek om. Aan
mijn open raampje stond nog een man met een pi-stool.
En het was duidelijk geen politieman.
Hij was erg voorkomend.
?Blijft u alstublieft zitten,? zei hij, ?Leuke auto. Is dat een
auto-maat??
Ik knikte en hoorde mijn man, die geïrriteerd raakte, vragen:
?Zeg, is dit een politiecontrole, of wat??
De man met het pistool naast me antwoordde:
?Bedoelt u de blauwe zwaailichten? Laat u nooit leiden door uiter-lijk
vertoon.?
Hij glimlachte minzaam. Ik huiverde. Ik besefte: deze man kon pijn doen.
Met één vingerknip. Willekeurig.
?Wilt ú in ónze wagen plaatsnemen?? vroeg hij aan mijn man. ?Achter het
stuur, alstublieft.?
Mijn man antwoordde stug dat hij niet zinnens was om in die auto te stappen
voor hij wist?
Maar hij kon zijn zin niet afmaken, want plots schreeuwde hij het uit. Hoog
en akelig. Hij viel op zijn knieën, met zijn gezicht tegen de zijruit
achteraan. Zijn gezicht vertrokken van de pijn.
Ik weet nog dat ik zijn naam gilde. Daarop kreeg ik een tik van het
pistool.
?Wat vervelend toch. Was het echt nodig om tegendraads te doen? Ik vroeg
het toch vriendelijk??
Mijn man kroop weer overeind. Hij hinkte traag naar de andere wagen met een
pistool tegen zijn hoofd.
De man die aan mijn raampje had gestaan, kwam naast me op de
passagiersstoel zitten.
?Nu wij tweetjes?, zei hij en stak zijn pistool in de zak van zijn jasje.
?Het doet een beetje afbreuk aan de gezelligheid, hè, zo?n stuk ijzer.? En
terwijl hij me bleef aankijken, begon hij rustig twee dunne rubberen
chirurgenhandschoenen aan te trekken. De rubber maakte telkens een kletsend
geluidje dat me ijskoude rillingen be-zorgde.
Toen trok hij het portier dicht, klikte zijn gordel vast en legde een hand
op mijn knie.
?Rijden maar?, zei hij.
Ik huiverde, trachtte hem weg te duwen, maar zijn duim en wijs-vinger
zetten zich als een tang om mijn knieschijf. Ik kreeg tranen in de ogen van
de pijn.
?Waarheen dan?? vroeg ik.
?Ik geef u wel instructies. Waar woonde u ook alweer, zei uw man?? We reden
langs ons huis. Hij keek er aandachtig naar.
Na tien minuten reden we de stad in. De verkeerslichten stonden op
knipperstand.
Plots draaide hij de volumeknop van de radio helemaal open. De Nachtradio
spatte uit de boxen.
?Plankgas!? riep hij.
Toen voelde ik zijn hand op mijn knie duwen. Hij duwde mijn been naar
beneden! Mijn voet duwde het gaspedaal dieper in. Ik kronkelde om los te
komen! Maar zijn greep was ijzersterk! We zwalpten over de weg. Ik weet dat
ik gilde, ik gilde van uitzinnige angst.
Ik hield het stuurwiel krampachtig vast. Ik kon met mijn andere voet niet
bij de rem. Ik zag de meter van 80 naar 90 naar 100 gaan. We raasden over
de kruispunten met alleen knipperende verkeers-lichten. De rit leek nooit
te zullen eindigen.
Ineens liet hij mijn knie los. Mijn been was gevoelloos. Het lukte me toch
om te remmen.
Ik bleef staan in het midden van de weg. Het was eindelijk voorbij, dacht
ik. En ik ging, met mijn hoofd op het stuur, onbedaarlijk huilen.
Waauw!? hijgde hij. ?Dát geeft pas een kick! Bedankt! Heb jij ook genoten?
Ik mag je nu toch tutoyeren??
Hij raakte mijn arm aan. Ik maakte een sprongetje en ging dichter tegen het
portier zitten.
?Dit wilde ik altijd al eens meemaken. Maar niet met míjn auto, natuurlijk.
Dat zul je wel begrijpen.?
Die man is gek, dacht ik, maar ik durfde hem niet tegen te spreken.
?Ga eens aan de kant van de weg staan?, zei hij.
Ik had alle moeite, want ik hield niet op met beven. Ik zag in de
achteruitkijkspiegel dat hun auto tien meter achter de onze halt
hield.
?Waarom ga je niet weg? Wat wil je dan nog meer van ons?? vroeg ik. ?Je
hebt je pleziertje nu toch wel gehad??
?Jij houdt toch ook wel van een spelletje, zag ik.?
?Ik hield hier helemaal niet van. Ik had dood kunnen zijn.?
?Ik ook. Mourir de plaisir. Geweldig toch. Zaten jullie trou-wens echt te
zoenen, daarstraks in de auto? Ben je dan nog zo erg op je man
gesteld??
Ik antwoordde hem niet.
?Zo erg dat je je leven voor hem zou willen geven? Mourir d?amour??
Op dat moment wist ik dat hij iets vreselijks achter de hand hield.
?We hebben besloten dat we een van jullie beiden in leven zouden laten?,
zei hij.
Ik bleef sprakeloos. Hij declameerde:
?Is er een intensere liefde dan deze die voortkomt uit het verdriet om een
heengegane geliefde? Eeuwige smart. Een van jullie zal de rest van zijn
leven heerlijk kunnen treuren om zijn verloren liefde. Mooier is er toch
niet??
Ik kon mijn mond niet meer houden en zei:
?Je bent gek.?
?Ja, dat beweert men wel eens?, antwoordde hij minzaam. ?Kijk?, zei hij, en
legde zijn pistool op het dashboard. ?Daar ligt mijn pi-stool, geladen en
ontgrendeld.
Op dit moment wordt je man met een pistool in bedwang gehouden door mijn
compagnon. Over exact ? hij keek op zijn horloge ? één minuut en 11, en 10,
en 9 seconden krijgt hij een kogel door zijn hoofd. Tenzij? tenzij jij hem
redt. En dat doe je door met dit pi-stool hier een kogel door je eigen
hoofd te schieten.?
Ik keek naar het pistool.
?Hé, ik zie je zo denken: je neemt dat pistool en je schiet míj dood. Nee,
nee, nee. We hebben afgesproken dat ik direct na het schot uitstap. Dan pas
laat mijn compagnon je man gaan. Misschien gek, maar niet dom, hoor.?
Hij schoof het pistool naar me toe, ik nam het in de hand.
?Voorzichtig?, zei hij.
Ik had nog nooit een wapen in mijn handen gehad. Je zag die din-gen alle
dagen op tv, maar ik wist niet eens dat het zo licht was.
?De trekker is erg gevoelig?, zei hij. ?Leg er je vinger niet op voor je
zeker weet dat je wilt schieten.?
Ja, ik was ertoe bereid, bedacht ik. Ik gunde het mijn man.
?Nog 45, 44, 43?? Hij volgde de seconden op zijn horloge.
Maar ik dacht: was degene die achterbleef er niet het ergst aan toe? Je
schuldig voelen dat je nog leefde. Een heel leven lang. Is dat niet het
ergste wat je kan overkomen?
Ik zette de loop van het pistool tegen mijn voorhoofd.
?Nee, nee, nee. Zo niet. Je schedel is daar veel te dik. Zal ík het voor je
doen??
Dat hij direct na het schot moest uitstappen om mijn man levend vrij te
krijgen, was zijn levensverzekering. Ik liet hem het wapen uit mijn hand
nemen.
?Doe het raampje open,? zei hij, ?anders wordt het interieur alleen maar
vies.?
Hij glimlachte weer en richtte de loop van het pistool? naar bui-ten. En
hij schoot! Een keer! Twee keer!
Ik gilde. Twee keer? Niemand doodt zichzelf met twéé kogels.
Ik duwde tegen hem aan. Ik duwde en gilde:
?Stap uit! Stap dan toch uit.?
Maar hij boog zich over mij heen en klikte mijn portier open. Ik zwaaide
met mijn hand naar buiten en wilde roepen dat ik hem niet had gedood.
Maar toen klonk er een schot in de andere auto.
Toen werd het plots helemaal leeg in mijn hoofd. Ik zag en hoorde wel waar
ik was, maar er gingen geen gedachten meer door mijn hoofd. Plots had de
wereld opgehouden te bestaan. Ik sloeg mijn handen voor mijn ogen. Ik wilde
niet gaan kijken. Ik wilde hem zo niet zien. Ik wilde een mooi beeld van
hem koesteren. Zoals wan-neer hij me de laatste keer ?Toe-e-e!? had gezegd.
Dat was zo kort geleden. Toen was er nog niets aan de hand? Ik ging weer
huilen, onbedaarlijk.
?Dan zal ik nu maar eens opstappen, zeker?? hoorde ik de man naast me
zeggen. ?Jammer toch dat ik te laat ben uitgestapt. Vol-gende keer beter.?
Ik hoorde hoe hij daarbij glimlachte. Hij sloeg het portier dicht.
Het was allemaal opgezet spel geweest. Ze wilden mijn man dood hebben. Dat
was zeker. Hij had geen kans gehad. Zelfs al had ik mij opgeofferd.
Plots werd de passagiersdeur brutaal weer opengegooid. Iemand dook in de
wagen en pakte me vast. Ik denk dat ik weer heb gegild. Vast wel twee keer.
Een keer omdat ik het niet kon verdragen dat iemand aan me zat, en een
fractie van een seconde later omdat ik mijn man zag die mijn hoofd in zijn
handen nam en me krampach-tig streelde en me over mijn gezicht zoende en
maar bleef herha-len: ?O, je bent niet dood. Je bent niet dood? Wat goed.
Wat goed??
Ik dacht hetzelfde, maar ik kon het niet gezegd krijgen. Ik was zo geschokt
dat ik niet eens nog kon bewegen.
Plots klonk een claxon naast mijn open raampje. We schrokken en keken naar
buiten. De twee reden ons traag voorbij. De man die me in bedwang had
gehouden, zat in de passagiersstoel en zwaaide naar me. Hij glimlachte en
gaf me een knipoogje. Alsof we net een fijne tijd samen hadden doorgebracht
en hij me tot weerziens wuif-de. Het beven herbegon in alle
hevigheid.
Mijn man drukte me stevig tegen zich aan en kuste me teder in mijn
haar.
?Het is voorbij, liefste, het is voorbij.?
Ik knikte toen hij me vroeg of hij zou rijden.
We besloten om eerst aangifte te doen bij de politie. De dienst-doende
inspecteur vond ons verhaal niet erg steekhoudend. Wat het ook niet was,
natuurlijk.
Vooral dat mijn man gezien had hoe we wel tien keer waren ge-flitst, was
niet bevorderlijk voor de geloofwaardigheid van ons relaas.
?Eerst geflitst worden en dan komen vertellen dat uw auto werd bestuurd
door een carjacker, die uw auto ook nog teruggeeft? Allez, allez,? zei hij.
?Met zo?n verzinsels maak je nu kans op de radio in Midi Libre, maar niet
bij de politie, hè.?
We deden een ademtest en reden stil en in gedachten verzonken naar huis.
We lieten de auto op de oprit staan. De afstandsbediening van de garagedeur
was tijdens de dollemansrit ongetwijfeld onder een van de stoelen
terechtgekomen, en we hadden echt geen zin om er in de ochtendschemering
naar te zoeken.
Ik maakte de voordeur open en liep de gang in. Mijn man sloeg zijn armen om
me heen en fluisterde in mijn oor:
?Nu zijn we veilig. Nu kan er ons niets meer gebeuren.?
Ik knikte. Het deed goed hem dicht tegen me aan te voelen in de
geborgenheid van ons huis.
Ik wilde nog een glas water drinken voor ik ging slapen.
?Wel ja, ik ook,? zei hij en glimlachte, ?maar ik doe er een scheutje
whisky bij.?
We liepen naar de keuken. Ik wist hoe het zou gaan. We zouden gaan zitten
en praten, tot we er wat overheen raakten, en knuffelen en?
Ik hapte dan ook wanhopig naar lucht toen ik de keukendeur open-de. Het was
alsof ik een klap in mijn gezicht kreeg.
Op de keukentafel lag de afstandsbediening van de garagedeur en? een
pistool.
Hij zat op een keukenstoel naar me te glimlachen. Zijn kompaan zat naast
hem, zijn pistool op ons gericht. Ze hadden allebei hun rubberen
handschoenen aan. Hij wees op de afstandsbediening:
?Ik had die meegenomen voor het geval. Voor later, weet je wel. Ik vond
jullie zo sympathiek dat ik zeker wist dat ik jullie opnieuw wilde
ontmoeten.?
?Waarom toch?? vroeg ik en smeekte dat ze ons met rust zouden laten, maar
terwijl ik het zei, wist ik dat het hen alleen maar meer macht gaf. Ik
trilde op mijn benen. Mijn man nam mijn hand vast.
?Jullie zijn echt aandoenlijk. Nog zo verliefd, zeg. Jullie moeten het vast
doodjammer vinden dat wij precies júllie tegenkwamen. We hebben jullie
gestoord in wat zeker een euh, hete en zwoele nacht moest worden,
niet??
De glimlach verdween niet van zijn gezicht:
?Mag ik jullie eigenlijk eens wat vragen??
Ik begon weer onbedaarlijk te beven.
?Wij zijn eigenlijk heel erg benieuwd naar jullie euh, wel, ik be-doel, wat
er na het kussen komt. Begrijpen jullie wat ik bedoel? Doen jullie het nog
wel eens vaker??
?Wat?? zei ik.
?Wij wilden dat eigenlijk graag eens meemaken.?
?Wat? Jullie zijn gek.?
?Dat zei je al eens eerder. Ik antwoordde je ook.?
Toen kneep mijn man me in de hand en keek me aan:
?Eigenlijk euh, eigenlijk heb ik dat ook altijd al gewild.?
Ik wist niet meteen waarover hij het had.
?Ik heb er altijd over gefantaseerd om het eens met andere mannen erbij te
doen.?
?Ah, we krijgen medewerking?, hoorde ik onze belagers lachen.
Ik wist niet wat me overkwam.
?Onder dwang,? zei mijn man nog, ?ja, liefst ook nog onder dwang. Met, met
pistolen op mij gericht en zo...?
De twee belagers kwamen niet bij.
Ik trok mijn hand terug. Ik walgde van hem.
De twee klapten in de handen:
?Schitterend, schitterend! En we gooien er direct een wedstrijd bovenop. Je
mag je gang gaan met haar tot je niet meer kunt.? Hij had zijn pistool
genomen en op mijn man gericht. ?En als je niet meer kunt: PAF!?
?Dat behoorde niet direct tot mijn fantasie?, zei mijn man.
?Maar wel tot de onze! Zolang mevrouwtje haar meneertje geëxci-teerd kan
houden, is er niets aan de hand. En als meneertje uitgeput is, dan is hij
toch van geen nut meer voor mevrouwtje. En dan: PAF!?
Het was een wedstrijd zonder winnaar.
Ze liepen met ons mee naar de slaapkamer. Ik schaamde me dood. Ik probeerde
mijn verstand op nul te zetten, te doen alsof ze er niet waren, alsof de
overgordijnen niet openstonden, alsof het grote licht in de kamer niet aan
was.
Het was degoutant te weten dat mijn man me altijd al met anderen had willen
delen, maar toch hield ik nog altijd van hem.
Ik wou dat deze kwelling zo gauw mogelijk voorbij was, maar te-gelijk
hoopte ik dat hij zolang mogelijk kon blijven leven.
Toen ging de bel van de voordeur.
Een van de belagers liep naar het raam, zei iets, en ineens waren ze
verdwenen. Ineens bleef er alleen stilte.
De bel ging een tweede keer. Ik sprong uit bed, op mijn hoede, trok snel
mijn jurk aan. Mijn man liep naar het raam:
?Het is de politie?, riep hij. En dan: ?Yes, het is me gelukt.?
Hij stond daar met niets aan, met zijn vuisten in de lucht, hoog op te
geven van zichzelf:
?Het is me gelukt. Yes! Yes! Yes!?
Ik wist niet wat ik daarvan moest denken.
Toen zwaaide hij:
?Merci, Fons. Merci, ouwe viespeuk. Merci, hè.?