Brief van Bart Plouvier

Dag Wannes,

Ik schrijf u in ’t Antwerps, de taal waarin ge grootgebracht zijt en waarin ge zong. De laatste keer dat ik u hoorde, hebt ge gezegd dat ge gestopt waart met optreden. Ge waart te ziek, ge kon geen afspraken meer maken. Daarna heb ik u niet meer gehoord. En als ik zelf belde, dan naamt ge niet op. Het kon bijna niet anders of er was iets misgelopen, en wat er misgelopen was….dat kon ik wel raden. Toen op een avond, ik zat te eten, het nieuws op de televisie begon met ‘Ik wil deze nacht in de straten verdwalen’, en ik zag u langs de kaai lopen, dan wist ik, nog voor er iets gezegd werd, hoe laat het was. Ge waart weg. Gedaan met de schoon liedjes. Ik verwachtte het wel, ik wist dat het te gebeuren stond, maar toch….ik schrok, ik heb die avond mijn bord niet leeggegeten.

Ik ga deze brief opsturen naar de hemel. Zoals het kind in die smartlap, zo maak ik de brief vast aan het touw van een vlieger, en zo, op de wind gaat hij dan omhoog. Ik schrijf op de omslag: Wannes; Net voorbij de Melkweg; Aan het einde van de eeuwigheid. Ik weet wel, gij geloofde niet in de hemel, ik ook niet. Maar daar even over fantaseren, zolang de brief duurt, dat kan vertroosting brengen. Ge zijt dan eventjes minder weg. Ergens is dat natuurlijk flauwekul, maar schrijvers mogen fantaseren, liegen zelfs – let op, dat is wat anders dan uzelf wat wijsmaken.

Ik denk dat ik het nooit verteld heb, daarom doe ik het nu: een van mijn eerste platen die ik kocht was uw eerste lp, 1966, ik was 15. Beetje vreemd want ik luisterde toen voornamelijk naar andersoortige muziek: Amerikaans folk, bluegrass, blues. Waarom was ik dan zo gefascineerd door die Antwerpse liedjes? Waarschijnlijk omdat ik nog nooit zoiets gehoord had. In mijn ogen was zoiets nog nooit gedaan. Het was nieuw, maar nieuw met veel respect voor de traditie. Niet in de zin van ‘vernieuwing’ zoals het woord, als het over de 7 kunsten gaat, vandaag gebruikt wordt. Aan vernieuwing om de vernieuwing daaraan had gij, juist zoals ik, een gloeiende hekel. Wat ook meespeelde in de fascinatie voor uw muziek was dat ik u tegenkwam op straat en in de cafés. Het was wat! Wannes kon ik tegenkomen, Bob Dylan niet! Als gij in de Muze aan de toog stond, dan zaagt ge mij, snotneus, niet staan. Maar ik u wel. Ik ging dan zo dicht als mogelijk in uw buurt zitten om te kunnen horen waar ge het over had. Het ging over de Schone Kunsten, maar even vaak over de vrouwen.

Ik heb al uw lp’s gekocht en ik kende veel van uw liedjes uit het hoofd. Als ik ging ‘busken’, van café naar café trok dan zong ik altijd minstens één liedje van u, meestal ‘Sofieke’. (klein stukje zingen?) Later ook ‘Een schip’. Niemand kon melodieën maken zoals gij.

Dat ge ook een eigenzinnig mens waart, daar ben ik maar achtergekomen toen ik u beter had leren kennen. Ge kon vreselijk tekeer gaan tegen de kerk, tegen ’t stadsbestuur, tegen de bruine opportunisten. En weet ge, eerlijk gezegd, ik heb het altijd moeilijk met mensen met uitgesproken meningen. Maar bij u was het toch anders, gij had iets als autoriteit. En ook, het bleef niet bij cafépraat, ge deed iets met uw meningen, ge gaf ze artistiek vorm. En hoe! En ten laatste, ik bewonderde u zo erg, dat ik het gewoon niet in mijn hoofd haalde om tegen u in te gaan.
En ik heb nog een vraagje. Op uw laatste cd zingt ge: ‘Hoe zou het komen dat ‘ne mens persé wil vechten, tegen ne nacht die iedereen te wachten staat’. Hebt gij gevochten? En waart ge bang? Ik vraag dat omdat ik zelf soms zo bang ben.

Geef je mening

Enkel je naam en reactie verschijnen op de site.
* verplicht veld

Reacties